Voor mijn werken maak ik gebruik van verschillende materialen en technieken. Klik op de naam ervan om er meer over te lezen.

Materiaal:

Pastelkrijt is een niet-vet kleurig materiaal, dat op diverse manieren ( zie hieronder bij technieken) kan worden gehanteerd. Het moet als het werk klaar is altijd worden gefixeerd omdat het anders af blijft geven en zelfs geheel kan worden uitgewist.

Technieken:

Pastelkrijt heeft een erg brede punt, zodat er bij direct werken niet erg gedetailleerd kan worden. Het ( b.v. in een arcering) aangebrachte krijt kan direct worden doorgeveegd, waardoor allerlei effecten zijn te verkrijgen.Als gedetailleerd werk moet worden gemaakt zijn er twee manieren die ik toepas; beide zijn redelijk tot zeer bewerkelijk:1. Er kan gebruik worden gemaakt van sjablonen ( dus uitgeknipte vormen die op de tekening worden gelegd waarna slechts het open gelaten deel kleur krijgt (hierbij zal altijd gebruik moeten worden gemaakt van de veegtechniek). Zie hiervoor bv de tekeningen “Politieke twist in Heusden en Altena om viaduct onder A27 , in een klassiek tintje”) en “Yuppie Boulevard” alsmede de tekeningen van “Viaduct over de A15 in gedaantewisseling” en “Dag- en nachtviaduct”.2. Er kan ook gebruik worden gemaakt van zacht kleurpotlood. Dit gaat uitstekend samen met het pastelkrijt.

Materiaal

Deze twee materialen staan samengevoegd, hoewel ze behoorlijk schelen zowel in samenstelling als in verwerking. Olieverf bestaat al sinds de 15e eeuw (Jan van Eijck) en sinds midden 19e eeuw ook in tubes, waardoor schilders het mee konden nemen naar buiten. Zoals de naam zegt is het een verfsoort op oliebasis, dus een verfpigment (kleurpoeder) wordt vermengd tot een “papje” met lijnolie. Kenmerk van deze verfsoort is dat hij heel lang nat blijft en dat er dus ook heel lang veranderingen en verbeteringen in kunnen worden aangebracht. Ander kenmerk is  dat hij een prachtige glans geeft aan het schilderij. Vrijwel iedere kleur(nuance)  is met olieverf te verkrijgen. Eeuwenlang is olieverf dé verfsoort voor schilderijen geweest.Acrylverf is een synthetische verfsoort op waterbasis. Er wordt een redelijk snelle werkwijze voor vereist, omdat bij te lang wachten -heel anders dan bij olieverf dus - de verfhuid verandert in een soort taaie plasticlaag. Materiaal zoals kwasten, paletmessen en paletten kunnen dus wel met water worden schoongemaakt als er niet te lang wordt gewacht. Qua kleur kan ook bij deze verfsoort vrijwel iedere nuance worden gemaakt.

Technieken:

Bij beide soorten wordt er zowel met kwasten (hardharig), penselen (zachtharig) als met b.v. de vingers, handen en paletmessen gewerkt. Ieder van deze hulpmiddelen laat natuurlijk typerende sporen na en dat maakt dan meteen deel uit van de techniek.Natuurlijk kan er ook met verdunnende vloeistoffen worden gewerkt, waardoor een meer aquarelachtig karakter ontstaat( bij acryl water en bij olieverf olie of terpentijn). Het aantal mogelijkheden is eigenlijk onbeperkt als je denkt aan het aanbrengen van “sporen “ m.b.v.vingers, sponzen, krabben in de natte verf met de achterkant van de kwast, afdrukken van textielstructuren, enz. Iedereen die met deze verfsoorten werkt, ontdekt daarbij wel zijn eigen “handschrift’” . Datzelfde geldt uiteraard ook voor het direct met de kwast opbrengen van de verf waarbij een streep- een veeg- of b.v. een stippelstructuur ontstaat. (denk b.v. maar aan de Impressionisten of de Pointillisten ).

Materiaal:

Aquarelverf is een verfsoort op waterbasis, waaraan ook lijm is toegevoegd. Er is maar heel weinig verf nodig want voor het maken van een aquarel is het overgrote deel water. Het wordt wel de moeilijkste schildertechniek genoemd omdat verbeteringen nauwelijks mogelijk zijn en voor witte delen het papier altijd open gelaten moet worden. Vooral in de 19e eeuw werd deze techniek heel veel toegepast ( o.a. door de Impressionisten). Vóór die tijd werd het toch wat als onvolwaardig of hoogstens als studiemateriaal beschouwd. De papiersoort die wordt gebruikt is variabel, m.n. de korrel van het papier loopt van tamelijk glad tot heel ruw. Ook de dikte varieert, maar meestal zal er in verband met de wateropname een dikkere tamelijk vezelrijke papier-soort worden gebruikt.

Technieken:

De meest gebruikte techniek is het direct schilderen met sterk verdunde aquarelverf waarbij plaatsen die in de afbeelding wit moeten worden gewoon uitgespaard worden. Het mag duidelijk zijn dat die opengelaten vormen dan ook wel meteen heel goedvan vorm moeten zijn. Aquarel schilderen  is een heel transparante techniek waarbij lagen over elkaar heen worden gezet en onderliggende lagen ook steeds zichtbaar blijven. Er wordt gewerkt met penselen ( dus zachtharig) omdat die veel meer water kunnen bevatten dan hardharige kwasten.Er kan bij aquarel “droog op droog “worden geschilderd, maar ook “nat in nat”. Bij deze laatste techniek vloeit de verf veel meer uit. Ook kan de verf “gewassen “worden waarbij met een penseel zonder verf over een bestaande kleur wordt gegaan zodat deze “bleker”wordt.

Materiaal:

Etsen is een grafische techniek. Aan materiaal is hierbij nodig: een etsplaat (meestal zink of koper), etsnaalden ( hoeven niet perse scherp te zijn, met een lege balpenstift kun je ook een ets maken ), etsgrond (vloeibaar of vast), harspoeder ( voor het maken van “aquatinten “ ), een brandertje om de plaat te verwarmen of een etsoven, waar je de plaat bovenop legt om te verwarmen, enkele “droge naalden “, die wèl heel scherp zijn en een schraap- of bruineerstaal. En natuurlijk een etspers om afdrukken te maken.Het is de bedoeling van de meeste etsers om alle afdrukken – en dat kunnen er wel enkele honderden zijn – er hetzelfde uit te laten zien. Etsen ( en litho’s – zie verderop- ook trouwens) krijgen dan ook een nummer. Het rechter nummer geeft aan hoeveel afdrukken er zijn gemaakt ( de oplage dus) , het linker nummer geeft het nummer in de serie aan, gescheiden door een schuine streep. Dus 12/75 betekent dat er van de ets of litho of gravure of houtsnede 75 exemplaren zijn gedrukt en dat het voorliggende exemplaar dan de 12e afdruk in die reeks is geweest. Behalve voor verzamelaars is de 1e of de 100e afdruk in een serie overigens niet meer  waard dan de rest.

Technieken:

De meest gebruikte techniek is de indirecte methode, d.w.z. dat lijnen en structuren in het zink worden ingebeten door verdund salpeterzuur. De plaat wordt van een dun laagje donkerbruine etsgrond voorzien waarna in dit laagje getekend kan worden. Het zilverachtige van de plaat komt daarbij tevoorschijn zodat je goed kunt zien wat je tekent. Dit kan zoals gezegd met een lege balpenstift of cocktailprikker want je hoeft niet direct in het metaal te krassen. Als de tekening af is, gaat hij in het zuurbad . Dit is het echte “etsen”. Als je in je afdruk verschil in lijndikte wilt laten zien dan kun je het “bijten” door het zuur ook in stappen laten gebeuren. Als het etsproces is voltooid wordt de etsgrond verwijderd, wordt de plaat ingeïnkt ( met etsinkt – die qua dikte lijkt op plakkaatverf  ) en afgeslagen, wat volgens eeuwenoud recept wordt gedaan, want ook Rembrandt deed het zo. Het is namelijk de bedoeling dat de inkt in de groeven komt, maar dat de oppervlakte van de plaat weer schoon wordt. Dit tamelijk tijdrovende werkje – het “afslaan “dus, wordt met de muis van de duim gedaan omdat die geen vezels heeft die de inkt weer uit de groeven zou trekken. Daarna wordt de ets op enigszins vochtig papier afgedrukt. Hiervoor wordt een z.g. rotatiepers gebruikt. Om grijstonen – van licht tot donker – te maken wordt de “aquatint “toegepast. Dit is een te gecompliceerde techniek om binnen dit kader te bespreken.

Materiaal:

De naam zegt het al: houtskool (natuurprodukt, onregelmatig van vorm omdat het om zeer langzaam “gestoofde” takjes gaat ) en zwart krijt ( synthetisch produkt met ingestanste hardheden, het wordt ook wel “Siberisch krijt” genoemd)  is ietsje vettig en veel zwarter dan houtskool. Beide materialen moeten worden “vastgelegd “ op het papier  zodat ze niet meer uitvegen ( zie pastel)  met fixatief.

Technieken:

Houtskool staat bekend als “schetsmateriaal “ maar leent zich ook uitstekend voor volwaardig tekenmateriaal. Het heeft een grijzige kleur, kan geen echt diepzwarte toon maken; daartoe kan in een tekening een combinatie worden gehanteerd van houtskool èn zwart krijt. Beide materialen kunnen net als pastel zeer goed worden bewerkt met vingers, lapjes, etc. waardoor zeer schilderachtige effecten zijn te verkrijgen.

Materiaal:

Vanaf onze vroegste jeugd gewilde verjaarscadeautjes, al zijn ze voor heel jonge kinderen eigenlijk niet zo geschikt. De fijnere motoriek die voor het hanteren ervan nodig is vind je niet bij die groep. De kracht, de richting en het ritme worden juist met de fijnere motoriekbereikt.(Kleur)potloden bestaan uit een – vrij brosse – grafietstift, gevat in hout. Een eenmaal gezette lijn is – afhankelijk van de kracht waarmee die is gezet –moeilijk met “gum” weer te verwijderen.Vaak wordt het potlood – waarvan de hardheden van de grafietstift variëren van 8h ( zeer hard, is bijna een spijker) tot 8b ( zeer zacht, brokkelt bijna onder je vingers weg) gehanteerd als “voorbereidend” materiaal zoals bij voorstudies of schetsen, gebruikt maar ook als volwaardig materiaal.

Technieken:

Dit materiaal kan zowel  vlakvullend  (dmv wat meer de platte kant gebruiken, arceren of greinen ) als ook lineair worden gebruikt. Het leent zich uiteraard in het bijzonder voor meer gedetailleerd werk, maar toch zie je in musea soms ook werken van groot formaat waarbij het gebruikte materiaal potlood is. Zowel de top van de punt als de zijkant van de punt kunnen worden gebruikt. Bij zachte stiften is het ook prima mogelijk om het uit te vegen.

Materiaal:

De gekleurde variant van inkt staat bekend als ecoline. Dit zijn in het algemeen zeer harde kleuren. Dan is er uiteraard de gewone zwarte inkt, en de  varianten zoals sepia (bruinig: Rembrandt gebruikte dat nogal eens) en grijze varianten.Heel vaak wordt de inkt ook gemengd gehanteerd met pen èn penseel.

Technieken:

Het grote voordeel van inkt is dat het zowel puur lineair als ook vlakvullend kan worden gebruikt. Een net gezette – en dus natte – inktlijn kan met behulp van een penseel worden uitgevloeid, verzacht, waarbij in het penseel alleen water zit. De inkt van de lijn is dan de voorraad. Deze beroemde techniek wordt wel “gewassen inkt “genoemd. Hij leent zich uitstekend voor snelle beeldende notities, schetsen, sfeertekeningen, etc.Uiteraard wordt ook veel getekend met alleen pen en penseel. Er kunnen dan strukturen worden gemaakt door arceren, stippelen, greinen, etc. Heel veel kunstzinnige reizigers die rondtrekken en hun impressies willen vastleggen hebben alleen dàt materiaal bij zich.

Materiaal:

Een litho is net als de ets een vorm van grafische kunst. Ook hier wordt dus een serie afgedrukt met nummering. Een litho is een steendruk. Hij wordt gemaakt op een speciale steen ( uit de rotsen gehaald in Kelheim, Duitsland ) en de meeste kunstenaars doen hun hele leven met één en dezelfde steen. De maten variëren, maar een gemiddelde steen is 30 x 50 x 10, en dus bijna niet te tillen.Per litho wordt er ongeveer 1/10 mm van het oppervlak van de steen gebruikt. De inkten die worden gebruikt zijn ook weer water- of oliehoudend en zwart of kleurig. Meerdere lagen kleur kunnen ( deels) over elkaar heen worden gebruikt. Als tekenmateriaal wordt z.g. “tusche” gebruikt. Dat kan in vaste vorm of in vloeibare. Het karakter van de inkt is iets vettig. Afgedrukt wordt op speciaal lithografisch papier onder een – zeer grote – litho-drukpers.

Technieken:

Nadat de oppervlakte van de steen helemaal glad is geschuurd en gepolijst kan er met een hulpmiddel – kwast, rietpen, gewone pen, penseel, spons, vingers, lapje, etc.- worden gewerkt. Je hebt een goed contrast want de geschuurde steen is vrijwel wit. Als de tekening klaar is wordt op het oppervlak een dunne laag vloeistof aangebracht. Dit is een mengsel van verdund salpeterzuur  en Arabische gom. Dat staat een nacht “in te bijten” ( eigenlijk dus te etsen) waarbij de betekende delen ( dus de iets vettige onderdelen van je afbeelding) in de steen “zakken “.Vervolgens maak je het oppervlak van de steen weer schoon. Dat is even schrikken want de afbeelding verdwijnt volledig! Als daarna de steen met litho –oliehoudende – drukinkt wordt ingerold komt de afbeelding weer te zien. De vette delen van de afbeelding pakken de vette drukinkt aan en die delen van de steen waar niet is getekend moeten ook geen inkt pakken. Om dit te bereiken moet de oppervlakte van de steen constant met een spons nat worden gehouden. Als dit wordt nagelaten loopt de steen dicht , wordt de hele oppervlakte zwart en kan er opnieuw worden begonnen.